09-02-09

Philemon en Baucis

 

Drie maanden na de dood van mijn moeder stierf mijn vader uit liefde en gemis

 

GEDICHT VOOR DE DOOD VAN MIJN VADER

 

Ik was gelukkig toen je stierf

omdat zij rond je lippen lag

en jij met je laatste adem

haar naam weer leven gaf.

In je vraag naar sterven

lag het antwoord in de liefde

al geborgen.

 

Je laatste maanden van gemis

om haar

en grenzeloze verlatenheid

liggen in mij gestorven,

de treurnis in je laatste loop

getekend in je stad.

En in je moeizaam spreken,

je eer gekwetst

als het juiste woord

weer ergens steken bleef

in afasie.

 

Nu kan je weer lachen

en fier rechtop het ergens in

waar je haar vindt.

 

En je wordt boom met haar,

jullie takken oud gestrengeld

door jullie handen,heel even maar,

in tijd gescheiden,

trilt de wind de bladeren,

zijn ruisen het laatste fluisteren

tot stilte in een jaarring groeit.

Hier staat gij tweeën in elkaar

en weet dat de ander niet meer gaat.

Jij wordt hout in haar,

je tranen,

nu regen aan de wortels

van een eeuwenoude tedere eik.

12:03 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

01-05-08

CAROLINE GENNEZ

 

caroline

 

 

 

 Ter gelegenheid van 1 mei kwam Caroline Gennez spreken in Hasselt. Enkele schrijvers vulden het programma op. Ik schreef een tekst over Caroline. Caroline woonde vroeger in St-Truiden waar ze haar politieke carrière begon. Op een dag zei Steve dat ze naar Mechelen moest verhuizen om de SPA daar terug op het paard te tillen. Zomaar alles en iedereen achter laten geeft echt blijk van een uitzonderlijke wilskracht en gedrevenheid.

Mijn tekst gaat dan ook over haar vertrek uit Haspengouw. Later op de avond kwam de vader van Caroline me vragen of hij de tekst mocht hebben. Ik zag de fierheid in zijn ogen twinkelen.

 

 

HET KLEINE MEISJE MET HAAR ROOD VALIESJE  OF VAN EILAND NAAR IN DE GLORIA.


Het kleine meisje staat met haar rood valiesje op het perron van Sint-Truiden. Achter haar verrijst in al zijn almacht een man wiens baard nog grijs moet worden. Met uitgestrekte arm wijst hij naar het noord-westen, ergens tussen Brussel en Antwerpen. ‘Daar lig de stad waar uw toekoms wach', klinkt de stem van de man wiens baard nog grijs moet worden.
Een lichte lentebries waait de vroege bloesems op die zich als een wit-rose tapijt aan haar voetjes spreiden als ze de trein opstapt. De trein schuift traag het Haspengouwse landschap in waar toen de Katarakten nog niet waren binnengevallen. Het regent een beetje en op het treinvenster schuiven de druppels over haar tranen in het spiegelbeeld.  Op de cadans van de wielen tekenen de fruitbomen hun bloei in haar ogen. Als volgbare militanten staan ze netjes in rijen en groeten haar. ‘ Als we rijp zijn, pluk ons dan,' fluisteren hun blaadjes in de wind. Ze hoort het niet; alle appels zijn voor haar nu nog tennisballen.
De trein wiegt haar in slaap en in haar dromen ziet ze een stad met heel veel paars en donkerblauw en smerig bruin. De kleur van de passie wordt hier en daar met lichte toetsen uitgesmeerd over de stad. Het kleine meisje kiest nu heldere kleuren om haar eigen regenboog te tekenen. Tussen de donkere kleuren weeft ze licht en als de stedelingen de maan gaan blussen, herkennen ze de rode bakens die het kleine meisje heeft uitgezet in de vernachte straten.
En plots rolt er een bal voor haar voetjes, een basketbal in heftig rood. Sneller en sneller rolt hij voor haar uit tot hij stil blijft liggen aan de voeten van een man met een echte baard die bijna grijs is. Hij raapt de bal op en gooit hem naar de hemel. Omdat hij dreigt te verdwijnen in het wolkendek vliegt het kleine meisje de bal achterna en boven Vlaanderen vliegen ze nu zij aan zij. En plots wordt het meisje vrouw, ze landt, belandt op 1 mei in een zee van mensen die allemaal hetzelfde lied zingen. De mannen met de baarden zijn verdwenen. Zij staat op het podium en vertelt de mensen over hun toekomst. Soms is ze kwaad en dan weer teder. Haar woorden zijn balsem, soms messen, maar ook weer bloesem of wiegend vlas.
Dan daalt ze af, ze gaat nu tussen de mensen staan en drinkt pinten als een echte vent.
Plots schrikt ze wakker door het gefluit van de trein.
Vochtig Haspenhouw is niet meer de grond van haar bestaan. Lichtvoetig zal ze straks haar beentjes heffen in het droge kempenzand.

12:53 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

23-04-08

IN HAAR ZOEK IK TROOST

 

20070416205828

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen ik nog schepen was in de stad Hasselt trouwde ik 6 jaar geleden een prachtig koppeltje. Gisteren werd de jonge bruid en moeder van 2 kinderen gecremeerd. Ze stierf aan borstkanker. Samen met haar man bereidde ze haar eigen begafenis voor. Ze kozen samen de muziek. Haar man vroeg me om een tekst te schrijven.

 

 

IN HAAR ZOEK IK TROOST

Zelfs in haar sterven zocht ze levenskwaliteit, wars van het taboe dat monden dicht als de dood zich aanbiedt. Haar ziekte was geen muur waarachter ze angstig wegkroop, waarachter ze het gefluister moest aanhoren, of meelijwekkende wegkijkblikken moest verdragen. Zij koos voor een open veld waarin de wind haar elk woord onverbloemd aanwaaide.
 Hier sta ik, praat met mij. In dit open veld sta ik met mijn angsten en mijn twijfels, ik maak ze zichtbaar. Ik zie u als ge wegloopt, blijf liever staan en luister. In dit open veld wil ik u ontmoeten, mij mede delen opdat gij weet.
Zij toont ons de weg naar onze eigen dood, geen eenzame weg, maar een weg met haltes om bij te praten, een weg met bomen om te verpozen in hun schaduw, een weg waar tederheid nog een glimlach ontlokt, een weg waar aarzelend sterven mogelijk is omdat er liefde is.
Zij houdt ons haar spiegel voor en haar handen trillen niet, ze zegt dat ge onbevangen in haar beeld moet kijken.
Zij is een eiland om te verpozen en nieuw geboren in de dood ontvangt ze ons met open armen, een eiland waarin wij moegetreurd weer troost gaan vinden.

 Altijd zijn er dingen van haar die een beeld oproepen, een herinnering wakker maken, u een glimlach ontlokken, fotografie op het netvlies, zijn er woorden die terug opklinken, die aan duidelijkheid niets te wensen over laten. Woorden als mantra's, woorden vol genegenheid en liefde die ons overspoelen als een wervelende wind, woorden waarvan het geluid ons zo vertrouwelijk klinkt, woorden die onze pijn verzachten, woorden van hen die nooit zijn weg geweest, bijna tastbaar in onze nabijheid. Hilde is nooit weg geweest, zal nooit verdwijnen, haar klank en beeld in ons geheugen neergevleid als een vermoeide vlinder, haar klinken kan muziek zijn die onze pijn verzacht, haar  beeld in duizendvoud zichtbaar in zaken waarover haar vingers gleden, in mensen die ze lief had, haar beeld als eeuwig brons gegoten in haar kinderen, haar beeld versmolten in haar man, zij, Hilde die zich nu al in al zijn vezels vastzet en meegaat in al zijn keren en draaien, zijn lachen en zijn wenen.
Daarom is het goed haar beeld te koesteren, als een kleinood te verzorgen en  met ons mee te dragen, haar klanken in symfonieën te laten klinken als de herinnering aan haar strijd te machtig wordt en wij weer even verweesd achter blijven zonder haar vitaliteit, haar energie, haar openheid, haar tomeloze liefde.
Haar beeld wordt geur in de lentebloesem die ons vandaag toewaait, en volgend jaar en al de jaren na de dag dat wij hier samen waren om onze liefde voor haar te bundelen tot een eeuwig geurende bloementuil.
En als ze straks in het Zwin wordt uitgestrooid, zullen de vogels haar meenemen in hun vliegen, zullen de planten haar meevoeren in hun groei, keert zij in eb en vloed terug aan ons, bloeit ze in wilde rozen en als de wolken over het platteland jagen, waaien ze ons haar naam aan, geschreven in het schuim van de zee.



Ivo konings

10:42 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

19-04-08

DE GOEDE DOOD

DE GOEDE DOOD

Hij is in het wit van zijn kamer
gegroeid,
op de stafkaart van zijn leven vastgeprikt
in dat ene altijd bed.

Buiten waaien de seizoenen
en al de dingen die vergeten zijn
voorbij,
het uitbundig lachen nog met volle longen,
stokbrood, wijn en kaas,
en zij
als de nacht over hem gespreid.

Hij kan zijn hand niet door zijn haren halen
en het lijntje slijm niet van zijn mondhoek vegen,
nu ze komt.

Zij is zijn lijf en leden,
zij schreeuwt uit zijn mond
en kauwt zijn eten,
zij zal hem in de bossen
te slapen leggen
als de naaldbomen geuren
in het warme kempenzand.


Hij glimlacht als ze binnenkomt.
Ze schikt zijn lakens
en laat haar droefenis
over zijn wangen gaan
zijn gedachten als armen
om haar heen.

In haar stem ligt al de stilte,
elk woord door haar tong beroerd
kent zijn ontknoping
als hij straks door de eeuwen slaapt.

Zij noemt zijn naam
die helder als het leven klinkt,
ontelbare gedichten
in de zucht van één lettergreep.

Zijn ogen geven de doodsdrift
een mond die al de twijfels
van haar lippen plukt.

Zij legt zijn leven af,
dat licht van lucht
eindelijk van haar schoot kan glijden
omdat hij het wil.

‘Dag, Huub,'zegt ze zacht
en sluit zijn ogen.





11:44 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

10-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE : Laatste aflevering

 

 

 

 

In één jaar tijd probeer ik driemaal zelfmoord te plegen. Ik word opgenomen in een psychiatrische inrichting. Dominique komt in een pleeggezin terecht waar hij negen jaar zal blijven.
Na de scheiding gaat mijn deur voor iedereen open, mijn handen wagenwijd, klaar om te geven. Met het geld van een erfenis koop ik een splinternieuwe Mercedes voor goede vrienden, geef mijn wasmachine cadeau aan de buurvrouw, koop voor honderden euro's geschenken op verjaardagen die ik nauwgezet bijhoud. Op den duur leen ik geld om maar te kunnen geven. Dan ben ik echt gelukkig. Ik teken zelfs papieren om de schulden van een vriendin af te betalen maar ondertussen sta ik al lang in het rood. Voor de deurwaarders zet ik koffie en loop naar de bakker voor een taart. Nog driemaal word ik opgenomen in een psychiatrische inrichting waar ik de miserie van de anderen op me neem. Ze geven mij morfine om de dag door te geraken.
Een paar maanden geleden word ik opgepakt voor oplichting.
De combi rijdt nu richting gevangenis. We rijden langs het kanaal waar Tony elk weekend gaat vissen. Ik ben nu al twee jaar met hem getrouwd. Hij is lief voor mij en Dominique. We slapen niet in hetzelfde bed. Over seks wordt niet gepraat. Ik heb ook geen behoefte meer aan knuffelen en daarin voel ik me schuldig. Later, misschien, later.
Hij helpt me de schulden af te betalen.
In de gevangenis kom ik tot rust. Er is weer structuur in mijn leven. Mijn medegevangenen zijn vriendelijk en het personeel ben ik dankbaar. Ik voel me beschermd en stilaan zakt het water dat me tot aan de lippen stond. Er is weer hoop. Nu meng ik droefenis al met vreugde en hoor mijn moeder zingen. En Tony bezoekt me elke dag.
Hier leer ik zelfs poëzie schrijven en daar ben ik echt fier op.
Nu mag ik al buiten met een enkelband. Mijn binnenwereld weer buiten, de buitenwereld weer binnen. Ik word geholpen, gelukkig. Als ik kon droeg ik mijn begeleiders als juwelen aan mijn vingers.

Elke avond ga ik slapen met het gedicht dat ik in de gevangenis schreef, het gedicht dat van mij is. Ik, Carla, schreef het. Het heet ‘Vrijheid'.

De woestijn is mijn wereld,
Steen wordt zand.
Verschroeiende hitte vreet aan mij.
Ik wil het vuur verbranden
Maar ik kan het niet.
Andere mensen zijn zwepen.
Ik vlucht, ik val, ik rol,
Een nul.
Ik droom van aardbeientaart,
De zoetheid van mijn gezin,
Een oase in mijn geest.
Dwarrelend de zachte donzen woorden,
Donkere kamers worden licht.
Angst sluipt nu uit mij,
Mijn nul
Een zon.





 
 

10:25 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

09-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 6

 

 

 

Met een scheermesje kerf ik me in mijn armen. Mooie gelijke sneden die vlug genezen. Dan begin ik weer opnieuw. Ik heb zijn kind vermoord en daarom snijdt hij zijn handen in mij. De littekens schrijven hun verhaal. Ik neem antidepressiva, veel, en verstop ze in de voegen tussen de stenen van de boerderij.
Als ik denk dat het ergste voorbij is, begint een echte martelgang. Sinds hij verder van huis werkt, bindt hij me elke ochtend vast aan het bed. En meer dan eens zet hij de toiletemmer uit mijn bereik, zodat ik verplicht ben mijn behoefte op de grond te doen. Soms komt mijn moeder overdag langs. Dan maakt ze me los. Ik beweeg hemel en aarde opdat ze niet naar de rijkswacht stapt, want hij heeft gedreigd haar te vermoorden als ze ook maar één woord hierover rept. Als ze weggaat bindt ze me terug vast. Dan let ik erop dat ze me precies op dezelfde manier weer vastmaakt. De angst is mijn meester. Als ik ‘lief' ben, mag ik wat boeken lezen als ik aan het bed gekluisterd lig. Verschillende keren ben ik ontsnapt maar altijd weer vindt hij mij. Hij dreigt ermee mijn hele familie uit te moorden en ik zwicht weer. Drie jaar duurt het. Tot ik weer zwanger word.
Ik wil het kind niet ongetrouwd op de wereld zetten, dus trouwen we in de kerk van Scherpenheuvel.  Voor het altaar wil ik weer voor hem in het donker leven, alleen maar gebaar zijn en zelfs niet om liefde vragen, blind en stom zijn voetmat zijn.
In de zevende maand word ik weer verschillende keren verkracht, ook door mijn schoonvader. Als zijn vader zegt dat hij ‘de lat' nog wel eens zal pakken als hij werken is, slaat hij hem tot bloedens toe met een vaas op het hoofd. Hij beslist wie mij verkracht en niemand anders.
Ik word dringend opgenomen in het ziekenhuis. Omdat ik het anders niet zal overleven wordt het kind met een keizersnede gehaald. Ik noem het Dominique. Daarover is hij zo woedend dat hij een ruit uitgooit op de kraamafdeling.
Kerstmis moet gezellig worden. Hij haalt een kalkoen om te slachten. Ik moet hem vasthouden. Ik ben de kalkoen, het hoofd op het slachtblok en in een vlaag van zinsverbijstering of is het moed, laat ik het dier ontsnappen. Hij is zo woedend dat hij me bij de haren door de kiezel sleurt. Hij bindt me vast op een stoel. Hij scheurt de kleren van mijn lijf en zet stroom op mijn  genitaliën. Ik schreeuw het uit van de pijn. Hij rijdt naar een boer om een nieuwe kalkoen te kopen. Dronken van woede rijdt hij tegen een boom.
Ik kan me vrijmaken en met mijn kind naar mijn broer vluchten waar ik onderdak krijg.
Ik ben moe, zo moe.
Twee weken later mag hij het hospitaal verlaten. Het duurt niet lang voor hij weet waar ik woon. Terwijl mijn broer en zijn vrouw werken zijn, breekt hij binnen en slaat met zijn arm in gips mijn beide kaakbeenderen over, houdt een revolver tegen mijn slaap en steekt het huis in brand.
Eindelijk zit hij in de gevangenis, de naamloze die mijn lucht verademt, de tiran die briest en slaat, wiens vuisten als wortels in mijn huid gedijen. Jaren heb ik hem als een gezwel in mij gedragen. Hij ligt in mij begraven. Nu gooi ik de ramen open, ik ben vrij, denk ik.
En dan sluipen de jaren als gif onder mijn huid, al de herinneringen lijken nu tegelijkertijd als etterende wonden open te barsten. De chaos regeert in mijn hoofd.

10:43 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

08-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 5

 

 

 

Nu ik bij hem woon mag ik niet meer gaan werken. Alleen om boodschappen te doen mag ik het huis uit. Hij verplicht me pulls te dragen met een hoge rolkraag. Geen spatje bloot mag de wereld in. Ik denk dat hij jaloers is omdat hij me graag ziet. Hij wil me voor zich alleen. Hoe naïef.
Alleen als we op stap gaan moet ik me sexy kleden, liefst met een diepe décolleté, korte minirok, op hoge hakken. Hij geniet ervan als zijn vrienden me stiekem bekijken. Hij gedoogt hun blikken omdat hij de heerser is, de almacht, ik zijn slavin. Hij pronkt met mijn lijf, hij gunt hun de fantasie van onze seksspelletjes. Als hij dronken is, geeft hij me weg, voor heel eventjes. Dan moet ik op hun schoot gaan zitten. Hij neemt de hand van een vriend en duwt ze tegen mijn borsten. Dan glundert hij, is hij het middelpunt. Hij deelt de snoepjes uit.
Hoe langer hoe meer gaat hij rechtstreeks van zijn werk naar de kroeg. Als hij dan dronken thuis komt moet ik zijn eten opwarmen. Maar met die opgewarmde kost is hij niet tevreden. Hij keilt de aardappelen door de keuken, gooit het vlees naar mijn hoofd en giet de soep over de vloer uit. Dan moet ik alles netjes opkuisen en opnieuw eten voor hem klaarmaken. Hij slaat me, weent, is dan weer lief voor me. Het wordt stilaan een ritueel. En nog zie ik hem graag. In mijn gedachten stroomt hij als water door mijn vingers. En als ik naakt voor hem sta ben ik naakter omdat ik in zijn ogen mijn eigen onzekerheid en verlangen lees. Zo ben ik zelfs hoorbaar in de duisternis. Ik verwacht dat hij me slaat, dat maakt het draaglijker. Dan zinkt het bloed me uit de lippen en wordt mijn mond hard en droog.
Zijn aders zijn kabels op zijn vuisten. De dwingelandij van mijn tederheid maakt hem razend. Hij wil ze uit mij slaan, ze laten leeglopen in mijn wonden. En altijd, altijd weer, kan ik niet wennen aan zijn kussen als hij weent, hij zijn handen in mijn lichaam drukt als hete klei alsof hij smeekt hem te verlossen van zijn eigen leed.
Ik ben een bloem in volle bloei die glas wordt, die straks aan zijn voeten in scherven valt. Ik leer wenen zonder tranen.
Hij wil kinderen. Ik wil ook wel kinderen maar niet in deze situatie. Ik neem de pil. Ik verstop het doosje in een pot met rijst. Ik weet zeker dat hij het daar nooit zal vinden. En toch gebeurt het : ik ben al twee maanden over tijd. Waarschijnlijk heb ik de pil vergeten in te nemen toen ik voor drie dagen in het hospitaal lag. Mijn kaaksbeen overgeslagen en mijn twee polsen ontwricht.
Op een zondagmiddag, voor hij naar het café trekt, vertel ik het hem. Hij is dolblij, pakt me beet en ik moet met hem de polka dansen, de vogeltjesdans, walsen; hij host met mij het hele huis door totdat hij plots beseft dat ik zwanger ben. Hij neemt me in zijn armen en legt me voorzichtig op de sofa. Hij kust mijn buik, opnieuw en opnieuw. Voor de eerste keer rijdt hij de stad in om frieten met stoofvlees voor me te halen. Het is feest.
Een week later krijg ik een miskraam. Het kind heeft nog geen licht gezien, het is nu vrij van leven, gelukkig, en in gedachten maak in zijn doodskleed in de kleuren van de nacht. Ik ween maar ik ben opgelucht.
Ik hoef hem niets te zeggen, hij leest de miskraam in mijn ogen. 's Nachts komt hij thuis met veel lawaai; hij heeft drie vrienden bij. Hij gooit de deur open en roept: " Pak die koe maar, jongens, ze is geen kloten waard want ik krijg ze niet vol."
Ik hoor een hond blaffen in de verte, dan is er geen geluid meer. Dan proef ik ijzer uit mijn lijf. Eén van hen veegt zijn bebloede handen af aan de witte kalk op de muur. Iemand duwt zijn hand in mijn mond. Ik moet de gruwel uit zijn vingers zuigen.
Hun salpeterzuur over mijn buik uitgeveegd.

In de loop van de volgende weken word ik door hen drie keer verkracht terwijl hij toekijkt. Ik ben ontvleesd en machteloos, ik besta niet meer. Ik ben de schande, sta midden op een plein, naakt in de blakende zon onder het oog van de mensen. Mannen strijken als aasgieren klapwiekend op me neer en nemen mij. Ik blijf alleen achter, meer schim dan schaduw, een zwarte engel aan het blauwe licht van de maan gelijmd. Hier blijf ik seizoenen staan, en elke herfst herhaalt de dood zich aan mijn lege borsten. Met de dood als schild bescherm ik me tegen het leven dat om liefde smeekt.
Ben weeral naar de rijkswacht geweest maar heb mijn klacht weer ingetrokken. Ze denken stilaan dat ik alles verzin, dat ik zot ben.

12:04 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |