07-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 4

 

 

 

 

Hij lacht als ik hem vertel dat het trouwfeest nog twee jaar moet uitgesteld worden. " Kom," zegt hij zonder verder commentaar," we gaan naar ons huis kijken." Het huis is een oude vervallen lemen boerderij, een krot lijkt me, en rond de woning hoog opgeschoten onkruid, nu al verworden tot ijzerdraad. Hij is een koning die me zijn kasteel toont. Ik voel dat ik enthousiast moét zijn. "We hebben er wel nog wat werk aan, maar binnen enkele maanden is ons liefdesnest al klaar," verzekert hij mij.
Voor de buitenwereld gaat ons trouwfeest toch door. Hij heeft het huwelijk in de plaatselijke cafés immers al aangekondigd. Het afblazen is gezichtsverlies, een vechtpartij die hij verliest: geen sprake van.
Hij maakt iedereen wijs dat een priester ergens op een geheime plaats het huwelijk zal inzegenen. Alleen onze ouders zullen er zijn. Hij had het liever anders gewild maar zijn vrouwtje is een beetje eigenaardig, ze heeft zo haar eigen willetje. " Zij, baas overdag, roept hij, maar 's avonds ben ik heer en meester. Groot feest in zaal ‘De Volksmacht', iedereen is uitgenodigd." En daar wordt luidkeels op geklonken.
Als ik mijn witte trouwjurk aantrek, ben ik weer een meisje dat van een huwelijksfeest droomt. Hij is zo knap, ik ben hopeloos verliefd. Het geruis en geritsel van het stof klinkt hemels, ik hoor de huwelijksmars in de holle kerk en ik schrijd plechtig naar het altaar aan de arm van mijn vader.
Als ik in de spiegel kijk verdampt dit beeld. Ik hang de sluier als een leugen voor mijn ogen en probeer dat ene zinnetje dat ik vroeger honderdmaal luidop gerepeteerd heb, uit te spreken: " Ja, ik wil."
Maar het komt niet, het blijft als een gezwel achter in mijn keel hangen.
Mijn nephuwelijk begint pas 's avonds. Ik zit met mijn zus en twee broers apart aan een tafel. Ik heb nog een stoel bijgezet voor mijn moeder, mocht ze toch komen. Ik mis haar. Hij loopt van de ene naar de andere tafel en drinkt mateloos. Af en toe loopt hij even langs. Ik ben een gast op een vreemd feest, ik onderga.
Plots vliegen er stoelen door de zaal. Mannen schreeuwen, slaan glazen kapot en houden ze als dolken klaar om te steken. Het zijn zijn broers die als dollemannen op elkaar invliegen. Zijn vader, die tussenbeide wil komen, wordt tegen de grond geslagen. De bruidegom sleurt zijn broers naar buiten waar het gevecht verder gaat. Eén van hen springt in zijn wagen en rijdt op hem in. Hij ontsnapt nauwelijks aan de dood. Ik wil hem helpen maar hij duwt me weg. Hij vloekt en sleurt me mee naar zijn auto, woedend op zichzelf omdat hij de situatie niet meester is. In de auto komt hij min of meer tot bedaren.
In de boerderij knettert de open haard. Overal branden er kaarsen. Een roemer met champagne staat naast een enorme bloementuil. Ik ben ontroerd, hij heeft dit bedacht voor mij, iemand heeft alles in het geheim hier klaar gezet. Ik haal een vochtige doek en veeg het bloed van zijn gezicht. Met zijn grove metsershanden streelt hij door mijn haren. Hij zegt dat ik mooi ben en dat hij van me houdt. De zwavel van de voorbije uren wordt honing. Hij neemt mij op de grond, voor het open haardvuur. In die cocon van gloed en passie begint mijn huwelijksnacht.
Rond middernacht weerklinken er schoten. Een ruit gaat aan diggelen. Zijn broer staat met een tweeloop op het erf, lallend en schreeuwend. Zonder nadenken bel ik de rijkswacht.
Een half uur later zit ik in mijn trouwjurk aan een ijzeren bureel waar ik een verklaring afleg. Mijn ‘man' is in de nacht verdwenen. Uiteindelijk dien ik geen aanklacht in. De rijkswachter heeft medelijden met me. "'t Zijn varkens, madame, we kennen ze," zegt hij. Ze brengen me naar huis.

11:02 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

05-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 3

 

 

 

Hij slaat me, voor de eerste keer, zijn volle vuist op mijn slaap. Ik duizel en val tegen de bedrand. Half bewusteloos voel ik hoe hij me oppakt en op zijn bed legt. Hij buigt zich over mij en fluistert lieve woordjes. Hij legt zijn hoofd in mijn nek en weent. Hij smeekt om vergiffenis. Dan strijk ik met mijn handen door zijn haar. Zijn adem wordt langzamer en hij valt in slaap. Ik trek zijn schoenen uit en leg een deken over hem. Ik veeg het bloed van mijn gezicht en ga de nacht in.
Een paar dagen later komt hij weer dronken terug van zijn werk. Ik ben er niet. Ik kreeg heimwee naar het rustige leven bij mijn moeder, ik miste haar stem, het geluid van het gerommel in de keuken en besloot terug bij haar te gaan wonen.
Ik sta voor de deur met mijn vinger op de bel. Het huis voelt al vreemd aan, het lijkt alsof het me weigert. Zonder dat ik bel gaat de deur open. Moeder veegt de handen aan haar schort en kijkt me zwijgend aan. Ik volg haar naar de keuken en help haar bij  de vaat. En ik wil uit me- zelf breken, ik wil dat ze alles weet, ik wil mijn hart uitstorten maar ik blokkeer. De aders op mijn slapen zwellen, ik ben doorzichtig. Mijn leven tekent zich achter glas, bloot en kwetsbaar. Ik vind geen schuiloord voor de ogen van mijn moeder. Ik ben een plattegrond waarop zij zonder moeite elke straatsteen aanwijst. Zij wandelt rond in mij en nergens raakt ze de weg kwijt als ze mijn land afloopt. Toch blijft mijn vuilnis in de gootsteen haperen en verdwijnt het uiteindelijk in de riool. Ik zwijg, zij weet.
Rond acht uur ‘s avonds trapt hij de deur in, sleurt me aan de haren mee naar buiten en stampt me in zijn wagen. Mijn moeder belt de rijkswacht die een uur later aan het huis van zijn ouders staat. Hij doet open en glimlacht. ‘Aha, mijn schoonmoeder heeft u natuurlijk gebeld," zegt hij, "ge weet toch hoe schoonmoeders zijn, overdrijven is de hobby." Hij roept mij. Ik strompel naar de voordeur en glimlach. " We hebben wat ruzie gehad, ja, maar ondertussen is alles weer bijgelegd." Eén van de rijkswachters doet nog een poging om achter de waarheid te komen maar de  angst maakt van mij de perfecte comédiante.
"Tot nog eens," roept hij uitdagend als ze naar de combi lopen.
Hij streelt mijn wang en kust me. Hij sluit de deur. Ik hoop dat de wereld buiten mee naar binnen glijdt, de buitenwereld, zilver in mijn ogen, hier binnen is alles scherp als een mes en helder, geronnen bloed op mijn dij. Hij ademt mij in, schreeuwend jaagt hij mij voor zich uit. Dan voel ik hoe de man mij in het duister neemt en ik vloek als ik klaarkom.
Hij heeft drie broers. Ze spreken nauwelijks tegen elkaar. Alleen als het op vechten aankomt in late uren, is hun broederband onbreekbaar.
De jongste vrijt al een tijdje. Zijn vriendin woont in een woonwagenkamp. Ze is complexloos, gaat ongevraagd bij aan tafel zitten en moeit zich met de interne keuken. Dat verdraagt de vader niet, dus verplicht hij hem te trouwen en het af te bollen. Dat wil zoonlief niet. De vader haalt zijn geweer boven en jaagt hem het huis uit. Dagenlang verschuilt hij zich in het bos. Ik breng hem regelmatig eten en troost hem. Ik smeek hem hierover niets te zeggen want als hij dit te weten komt, wordt zijn jaloersheid een ijzeren staaf.
Iemand moet het ouderhuis uit. " Dan bol ik het hier wel af," zegt hij grootmoedig tegen zijn vader en in dezelfde zin kondigt hij aan dat we gaan trouwen. Ik sta aan de grond genageld, ik duizel en moet gaan zitten. Hoe moet ik hem duidelijk maken dat ik niet wil trouwen, geen definitieve band met hem die me wurgen zal. Ergens wil ik nog wat licht op vrijheid maar ik durf mijn mond niet opendoen. In een visioen zie ik mijn toekomst al in hem vergaan. In de tafel al mijn ellebogen getekend. En toch reik ik me aan, bied ik hem de volle handen van een vrouw, wil ik hem veranderen, zal hij veranderen, mijn liefde als offer.
In de spiegel zie ik een andere vrouw en ik begrijp haar niet.
Ik ben nog geen vijfentwintig. Om te trouwen heb ik dus de handtekening van mijn moeder nodig- de wet van toen schreef dit nog voor- maar ze weigert. Ze schildert mijn leven met hem in woeste kleuren, zware, zwarte strepen in een kruis erdoorheen geveegd. En ik zie het doek in al zijn heftigheid al voor mijn ogen maar ik ben te laf om haar te zeggen dat ik wil, niet wil, ik durf mijn angst niet in haar loslaten, ik hou te veel van haar.

10:54 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

03-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE: AFLEVERING 2

In de politiewagen is het warm. Eén agent kijkt mijn richting uit. Hij lijkt zich te verwonderen over mijn kalmte. Ik probeer me voor te stellen hoe de gevangenis eruit ziet, hoe groot zal mijn cel zijn? In gedachte ben ik de koude cel al aan het aankleden. Maar mag dat wel? Is er een toilet? Zal ik alleen in de cel zitten? Eet ik in de cel of in een refter, om hoe laat moet ik opstaan, hoe laat moet ik gaan slapen? Ondanks al die vragen heerst er geen chaos in mijn hoofd, de chaos die anders mijn meester is, ik zijn slaaf. Het is net of al mijn vragen netjes op een rij liggen. Iemand vult voor mij het antwoord in. Hoe anders dan in de psychiatrische instelling waar mijn chaos een emmer boordevol glibberige palingen was, ongrijpbaar en angstaanjagend.
Nu draaien we de hoek om. We rijden voorbij café Concordia. Hier leerde ik mijn man kennen. Hij heeft nu geen naam meer.
De discolichten spatten tegen het plafond, in glasscherven versplinterd. Ik voel me gelukkig. Mijn broer zal het wereldrecord diskjockey  vanavond op zijn naam schrijven. Er zijn veel mensen in de zaal. Ik loop dicht tegen ze aan, ik wil iedereen vastnemen en knuffelen, maar ik durf niet. De mensen zijn hier anders dan in Luik.
Dan zie ik hem. Hij staat aan de toog, beweegt nauwelijks, drinkt gulzig en trekt de rook diep in zijn longen. Mannen praten tegen hem, hij luistert niet. Dan valt zijn oog op mij. Ik sta aan de grond genageld. Ik proef zout op mijn lippen. Zijn blik is zwart marmer. Het is alsof hij zijn vingers op de aders van mijn slapen legt en alles draait en keert in mij. Hij is het, hij is alle mannen waar ik ooit van droomde. Hij dirigeert het vallen en het stijgen van de vogels. Hij is van niemand. Hij wordt lichaam en spreidt zich over mij.
Al dansend oogst hij mij, ik ben zijn graan en koren, hij slaat mij op in zijn stallen en dwingt mij in zijn ritme. Ik ruik zijn oksels, kruiden met wortels vol modder uit de grond getrokken.
Ik weet niet of ik pijn of vreugde voel. Mijn mond is droog want hierin jaagt het verlangen.
Diezelfde avond laat hij me op de dansvloer staan omdat hij dorst heeft. Aan de toog heft hij zijn glas en drinkt op mijn gezondheid. Hij wenkt mij en doet mij met een onderwijzersgebaar teken dat ik bij hem moet komen. Die eerste stap in zijn richting is van lood, de laatste loopt al op wolken. Hij pakt me stevig beet en zet een glas bier aan mijn lippen.
" Uitdrinken," beveelt hij lachend en blijft het glas tegen mij mond duwen tot het leeg is. Ik kan nauwelijks ademen en gebarend naar zijn vrienden mee te doen met dit amusant spelletje, duwt hij me een tweede pint tussen de lippen. Het koude bier druipt langs mijn kin in mijn jurk. Ik moet lachen en proest het uit. Zijn broek is nat. Even worden zijn ogen donker maar dan pakt hij me vast en kust me vol op de lippen. Wat ik dan voel is onbeschrijfelijk. Mijn bloem vouwt open en mijn meeldraad bloeit en geurt. Ze lokt het insect. Mijn lichaam kent plots geen schaamte meer als luchtledige vingers op mijn huid tintelen. Mijn bloed klimt rood en begerig naar zijn leven en lichter dan lucht verdwijn ik in het wolkenwit. De volgende dagen wijk ik niet van zijn zijde. In mijn slaap weet ik dat hij op vrouwen jaagt maar ik voel alleen de harstslag van zijn bast, het hijgen in mijn bloed wordt zee. Hij ziet mijn hongersnood en lacht.

Elke dag na zijn werk - hij is metser- zie ik hem in het café waar mijn broer al meer dan 138 uren onafgebroken disco draait. Ook mijn moeder komt regelmatig kijken. Als zij er is probeer ik afstand van hem te houden, maar zij leest mij.
Iedereen in de stad kent hem en zijn familie. De vader en zijn drie zonen zijn berucht. Al meerdere keren werden ze opgepakt voor openbare dronkenschap en zware vechtpartijen. Moeder is razend als ze merkt dat ik hem niet loslaat. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik haar de rug toekeer. Ik schaam mij maar ik ben in hem gegoten.
Maanden gaan voorbij en hoe langer hoe meer verglijd ik in zijn bestaan. Ik rook en drink als de beste. Mijn kleren ruiken naar hem. Ik vrij met hem op toiletten, tegen een muur in een vernachte straat, zelden in bed, want daar slaapt hij zijn roes uit. Ik ben als warm slijk tussen zijn tenen.
Ik woon nu bij zijn familie. Ik heb ondertussen ander werk gevonden. In de week heb ik een paar dagen vrij omdat ik veel in het weekend werk doe. Als ik dan overdag bij zijn familie ben, moet ik in zijn kamer blijven. Zijn vader wil niet dat ik er in de weg loop. Ik gehoorzaam, gedwee, al bijna naar zijn hand gezet. Ik zit op een berg zand die elke dag door de wind verplaatst wordt en ik merk het niet. Ik ga mee in zijn glooien en golven en alles wat me dierbaar is, lijkt nu verder. Ik ben weerloos en als ik me wil verzetten waait de wind het zand nog feller op, zodat ik niets meer zie en in de stofwolk zwaai ik hulpeloos wat met mijn armen. Als de storm dan liggen gaat, kijk ik als een bang vogeltje om me heen en hoop dat niemand mijn wanhoop heeft gezien.

12:15 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

31-03-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 1

 MONOLOOG

 

Deze monoloog is het waar gebeurde verhaal van een vrouwelijke gedetineerde. Ik heb haar leren kennen in de gevangenis waar ze een cursus poëzieschrijven volgde. Ik was zeer getroffen door haar levensverhaal en heb me tijdens onze gesprekken meermaals afgevraagd waar ze de moed vandaan haalde om haar verleden achter zich te laten en een nieuw leven uit te bouwen. Ik heb de feiten niet op een rijtje gezet, ik heb opzettelijk heel wat weggelaten omdat haar verhaal anders onwaarschijnlijk was overgekomen. Met haar goedkeuring heb ik me ook de literaire vrijheid genomen om haar levensverhaal in een goed gesrtuctureerde monoloog te gieten. Sommige feiten zijn daarom ook niet atijd volledig waarheidsgetrouw of chronologisch juist.

ik bied jullie de monoloog aan in afleveringen. 

 

AFLEVERING 1 

 

IK SMEEK OM LIEFDE WANT ANDERS GA IK DOOD 


Ik ben een schaduw en langs de muren schuif ik, schuifel ik en liever nog ben ik geen schaduw, onzichtbaar in een maanloze nacht als ik naar slachtoffers zoek. Slachtoffers aan wie ik mijn liefde kan geven. Ze moeten mijn liefde aanvaarden anders ga ik dood, mijn eten en drinken. Liever blijf ik naamloos, ben ik de wind, een warme wind die iemand aanwaait. Ik waai de rozenblaadjes aan hun voeten op, maar zelf ben ik een doorn aan een stengel.
Zelfs in het licht ben ik aan alle zijden schaduw.
Ik wil onzichtbaar zijn in de tijd. En toch verschijn ik loodrecht in het licht nu ik de gevangenis in moet. Nu geven de schijnwerpers  mijn schaduw een naam, sta ik naakt voor mijn toekomst met een gevangenisplunje in de hand.
Vijf jaar zonder seizoenen, vijf jaar kunstmatig licht en geluiden van ijzer op ijzer, voetstappen in lange gangen; zo luidt het vonnis van de rechter. Het tolt in mijn hoofd en het geroezemoes in de rechtszaal komt van heel ver. Ik sta recht en ik ben blij. Blij dat er eindelijk een punt achter mijn verleden wordt gezet. Nu kan ik opnieuw beginnen. Ik ben de rechter dankbaar en knik hem minzaam toe. Ik zie het onbegrip in zijn ogen. Misschien denkt hij dat ik hem uitlach. Ik wil naar hem toelopen en zijn handen kussen. Hij is mijn beschermengel, mijn broodheer, mijn ultieme veiligheid.
Ben ik gek geworden? Welke veroordeelde is zijn beulen dankbaar?
De rechter draait me de rug toe en gunt me geen blik meer. Ik ben een fait divers, een anekdote in zijn leven. En plots gaat er een rilling door me heen. In zijn weggaan wordt de rechter man, zijn lopen en zijn staan, man, mijn man. In paniek wil ik weglopen maar de deur van de rechtszaal draait langzaam open en daar is mijn wereld weer in al zijn wreedheid. Hij opent zijn muil en ik verberg me achter de ruggen van de rijkswachters.
En dan kijk ik in de ogen van mijn moeder. Ik berg haar beeld in het licht van mijn ogen en laat haar in mijn hart glijden. Nog voor mijn tong taal werd, lag het woord mama al in mijn mond geklonken. Ik sluit mijn ogen en haar warme adem dwarrelt in een nevel over mij. Met een ivoren pen schrijf ik haar naam in mijn kinderlijk handschrift op Japans papier. Lichter als een bloem voel ik haar teder strelen in mijn slaap. Zij klinkt als een oud lied waar ik rustig van word.
Ik deed alles voor haar, ik stapte haar passen af, ik leefde in haar cirkel, moest haar middelpunt zijn. En als ze al eens kwaad was, deed het fysiek pijn. Ik onderwierp mij slaafs aan haar om maar geen grammetje liefde te missen. Ik mis de warme serrelucht waarin we jonge veldsla sneden. Als ze even weg was, zocht ik naar het kuiltje in de  tafel waarin haar ellebogen rustten. Ik verzon alibi's voor mijn verbondenheid, en, als er dreigde iets mis te lopen, was ik als kwik dat altijd aan zichzelf terugkeert. Hoe vermoeiend was ik, hoe dominant in mijn vraag naar tederheid, hoe afgunstig op mijn broers en zusters als ze in haar deelden. Het gebeurde zelfs dat ik geld uit haar portemonnee stal om haar cadeautjes te kopen hoewel ik goed wist dat ze nauwelijks de eindjes aan elkaar kon knopen want toen de mijnen dicht gingen was mijn vader werkloos en ziek. Mijn vader, zetelman, zwijgzaam, gevoelens in de kluis van zijn katholieke opvoeding, een goede man maar té ver weg voor mij. Mijn lief zijn beschouwde hij als een zwakte of ergens iets dat met vrouwen te maken had. Toen hij stierf, is hij als een voorbijgaande reiziger uit mijn leven verdwenen. Op zijn begrafenis zat ik naast mijn moeder in de kerk. Ze weende maar trachtte haar snikken te verbergen als was ze beschaamd voor de mensen. Ik hoorde alleen maar verre geluiden. Ik was dolgelukkig toen ze mijn hand vastnam om troost te zoeken. Ik streelde haar handpalm en toen haar blik, waarin ik totale overgave zag, me kruiste, kreeg ik tranen in mijn ogen. Voor het eerst was de dwang om liefde te geven een waar genot. Het vervulde mij met een overweldigende warmte. Ik wist niet wat er met me gebeurde en uit angst dat iemand mijn extase van mijn gezicht kon aflezen, verborg ik mijn hoofd in mijn moeders mantel.  
Als ik de zaal uitga, is haar stilte het enige wat ik hoor, haar ogen in mijn toekomst al gevangen. Aan de uitgang staat Claudine, een goede vriendin, met wie ik een jaar in Luik heb gestudeerd om Frans te leren. Ik ben een beetje verrast want het is jaren geleden dat ik haar nog heb gezien. Als ik langs haar loop, streelt ze mijn schouder en glimlacht. Het doet deugd want nu weet ik dat ze me niet veroordeelt en ik voel haar arm weer rond mijn middel als we door de straten van Luik marcheren: één van de mooiste jaren van mijn leven.
Terwijl ik in de politiewagen door de stad rijd, komen we voorbij " De Lekkere tafel ". In dit restaurant begin ik te werken na mijn middelbaar. Vol overgave begin ik aan de job. Het duurt niet lang voor de baas handtastelijk wordt. Misschien is het wel mijn eigen schuld want ik durf niet reageren als zijn hand langs mijn billen glijdt. Een verwrongen lachje is mijn enige reactie, een soort van verontschuldiging omdat ik niet verder op zijn avances inga. Hij verplicht me een rok te dragen. Dan moet ik op een stoel gaan zitten en mijn rok tot boven de knieën heffen. "Begin nu maar te schillen," roept hij lachend en duwt een grote kom met aardappelen tussen mijn dijen.
Op een morgen komt hij met een schaar voor me staan. "Draai je om," zegt hij, " ik heb wat van je nodig." Hij snijdt een stukje van mijn haar en plakt het op een bierkaartje. Negen dagen lang herhaalt hij hetzelfde ritueel en ik durf niet reageren uit angst mijn werk te verliezen. Zijn macht over mij is verlammend. Het is alsof hij me openbreekt, ik, een braakliggend terrein dat nodig moet ontgonnen. Mijn hoofd is chaos, ik kan niet meer denken, nadenken en in alles wat ik doe zie ik zijn kleffe vingers, zijn rood aanlopende kop.
Op een dag doe ik de deur van de voorraadkamer open. Daar staat hij met zijn broek op zijn knieën. Hij schrikt niet eens. In zijn rechterhand houdt hij mijn haar vast dat hij heeft afgeknipt.
"Blijf staan waar je bent," roept hij, "kijk in mijn ogen." Hij masturbeert tot hij klaar komt op het haar. Eindelijk vind ik de moed om mij om te draaien en weg te lopen. Nachten hebben mijn dromen met veel minachting hun waarheid achtergelaten.

10:48 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

18-03-08

Even Weg

Beste vrienden,

 

Ik ben twee weken weg. Dan zal ik in episodes mijn monoloog ' Ik smeek om liefde anders ga ik dood' op mijn blog plaatsen. Deze monoloog gaat over het waar gebeurde verhaal van een vrouwelijke gedetineerde.

Tot binnenkort. 

10:33 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

14-03-08

1.800 POEZIEBUNDELS ALS STRAF

8100 POEZIEBUNDELS ALS VERGOEDING

 

Er zijn landen die erg creatief omspringen met hun wetgeving. Zo heb je in Iran zelfs een compensatiewetgerving voor vrouwen. Iedereen weet dat de vrouwenrechten er op de onderste la liggen en ik vermoed dat de wetgevers zich hierover een beetje schuldig voelen. Daarom hebben ze de 'Mehrieh' uitgevonden, een traditie die zegt dat de man zich ertoe verplicht de wens van zijn vrouw na te komen op het ogenblik dat ze daarom vraagt. In feite komt het neer op een verzekering voor de toekomst van de vrouw omdat in geval van echtscheiding haar kansen miniem zijn.

Zo veroordeelde de rechter onlangs een man tot het kopen van 1800 poëzieboeken voor zijn vrouw omdat hij haar in de steek liet. De arme man moest 700 miljoen rial of 50.000 euro bij elkaar schrapen. Hopelijk heeft ze in haar appartementje genoeg ruimte om tussen vers en metrum te kunnen leven.

Een andere man moest zijn vrouw 120.000 rozen kopen. In een romantische opwelling beloofde hij haar dit containertje rozen. Omdat hij veel te gierig was, sleepte ze hem voor de rechtbank. De rechter legde zelfs beslag op zijn woning todat hij de laatste bloem had afbetaald. Of het verse bloemen moesten zijn werd er niet bijgezegd. 

Dat ze me toch aan het fantaseren want de gekste beloftes worden immers gedaan als de vlindertjes wat aanrommelen in je buik.

"Schatje, nooit ga ik van je weg!" "En als het toch gebeurt, brand je dan 200.000 kaarsen onder de Parijse eifeltoren?

of

"Schatje, ik blijf tot mijn laatste snik bij jou!" "En als je toch weg gaat, laat je dan 300.000 flyers vliegen uit een luchtbalolon waarop staat dat je mij bedrogen hebt?

of

"Schatje, liever sterf ik dan u alleen te laten!" " En als je het toch doet, ga je dan 5 jaar lang naar de begrafenis van eender welke weduwe in Brussel? 

of

"Schatje, ik lig in jou gebakken, nooit wil ik nog van jou los!" "En als je je dan toch eens uit mij geraakt beloof je dan eens in het jaar waar ook ter wereld een siamese tweeling te gaan opzoeken?"

of

"Schatje, vanaf nu zal ik nimmer van je zijde wijken!" "En als je toch eens afwijkt beloof je dan elk optreden van Geert Hoste bij te wonen zolang hij optreedt?

of

"Schatje, als jij sterft ga ik mee in je graf!" "En als je nu toch eens weg bent voor ik sterf, beloof je dan op alle allerheiligen de rest van je leven op elk graf in de derde rij op het kerhof van Hasselt bij elk graf bloemen te zetten?"

of

"Schatje, onze verbinding is heilig en onverbreekbaar!" "En als onze band toch gebroken wordt, beloof je me dan 654 dagen onafgebroken met een ijzeren bol aan je been rond te lopen? 

of

"Schatje, nooit zal ik je bedriegen, ik blijf je eeuwig trouw!" "En als je me toch bedriegt, beloof je dan 100.000 condooms op te blazen en in elke condoom 1 schaamhaar van je minnares te steken, en die condooms ten slotte uit te delen aan een groot warenhuis naar keuze?"

of

 

of 

 

11:43 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

12-03-08

 

8.100 POEZIEBUNDELS ALS VERGOEDING

 

De islamitische vrouw heeft in geval van echtscheiding maar een povere rechtspositie. Eerder dan de wet hieromtrent aan te passen blijft de Iraanse rechtbank de tradiotionele 'Merieh' trouw. Het komt erop neer dat bij een huwelijk de man de plicht op zich neemt de ultieme wens van de vrouw in te willigen in geval van echtscheiding. Je kan stellen dat het een soort verzekering voor de toekomst is.

Zo moet een Iraniër zijn ex-vrouw vergoeden met 8.100 poëziebundels, een equivalent van 700 mijoen rial of 50.000 euro. Een andere man werd veroordeeld tot het kopen van 124.00 rode rozen nadat zijn vrouw hem voor de rechter had gedaagd omdat hij haar uitgescholden had voor gierige trut. Zolang hij deze belofte niet nakomt legt de rechter beslag op zijn klein appartement.

Beide overeenkomsten werden afgesloten in een romantische bui waardoor die mannen zich nu waarschijnlijk de haren uit het hoofd trekken.

Ik probeer me voor te stellen welke wensen bij de vrouwen zoal opborrelen op het ogenblik dat de vlinders in de buik heftig rond dartelen. 

" Schatje, als je ooit van me weggaat ben je dan bereid 150.000 teelichtjes te zetten aan de oevers van deze vijver waar we voor de eerste keer gevrijd hebben?" "Jazeker, lieveke, voor jou doe ik alles."

Of: "Schatje, als je ooit van plan bent me in de steek te laten, dan moet je    18.000 witte duiven boven op de Eifeltoren lossen terwijl je ' Ik zie zo gère men duivenkot' zingt van Bobbijaan Schoeppe. Het moet tenslotte romantisch blijven.

Of: "Schatje, als je het afbolt, dan zal je 

10:35 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |