08-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 5

 

 

 

Nu ik bij hem woon mag ik niet meer gaan werken. Alleen om boodschappen te doen mag ik het huis uit. Hij verplicht me pulls te dragen met een hoge rolkraag. Geen spatje bloot mag de wereld in. Ik denk dat hij jaloers is omdat hij me graag ziet. Hij wil me voor zich alleen. Hoe naïef.
Alleen als we op stap gaan moet ik me sexy kleden, liefst met een diepe décolleté, korte minirok, op hoge hakken. Hij geniet ervan als zijn vrienden me stiekem bekijken. Hij gedoogt hun blikken omdat hij de heerser is, de almacht, ik zijn slavin. Hij pronkt met mijn lijf, hij gunt hun de fantasie van onze seksspelletjes. Als hij dronken is, geeft hij me weg, voor heel eventjes. Dan moet ik op hun schoot gaan zitten. Hij neemt de hand van een vriend en duwt ze tegen mijn borsten. Dan glundert hij, is hij het middelpunt. Hij deelt de snoepjes uit.
Hoe langer hoe meer gaat hij rechtstreeks van zijn werk naar de kroeg. Als hij dan dronken thuis komt moet ik zijn eten opwarmen. Maar met die opgewarmde kost is hij niet tevreden. Hij keilt de aardappelen door de keuken, gooit het vlees naar mijn hoofd en giet de soep over de vloer uit. Dan moet ik alles netjes opkuisen en opnieuw eten voor hem klaarmaken. Hij slaat me, weent, is dan weer lief voor me. Het wordt stilaan een ritueel. En nog zie ik hem graag. In mijn gedachten stroomt hij als water door mijn vingers. En als ik naakt voor hem sta ben ik naakter omdat ik in zijn ogen mijn eigen onzekerheid en verlangen lees. Zo ben ik zelfs hoorbaar in de duisternis. Ik verwacht dat hij me slaat, dat maakt het draaglijker. Dan zinkt het bloed me uit de lippen en wordt mijn mond hard en droog.
Zijn aders zijn kabels op zijn vuisten. De dwingelandij van mijn tederheid maakt hem razend. Hij wil ze uit mij slaan, ze laten leeglopen in mijn wonden. En altijd, altijd weer, kan ik niet wennen aan zijn kussen als hij weent, hij zijn handen in mijn lichaam drukt als hete klei alsof hij smeekt hem te verlossen van zijn eigen leed.
Ik ben een bloem in volle bloei die glas wordt, die straks aan zijn voeten in scherven valt. Ik leer wenen zonder tranen.
Hij wil kinderen. Ik wil ook wel kinderen maar niet in deze situatie. Ik neem de pil. Ik verstop het doosje in een pot met rijst. Ik weet zeker dat hij het daar nooit zal vinden. En toch gebeurt het : ik ben al twee maanden over tijd. Waarschijnlijk heb ik de pil vergeten in te nemen toen ik voor drie dagen in het hospitaal lag. Mijn kaaksbeen overgeslagen en mijn twee polsen ontwricht.
Op een zondagmiddag, voor hij naar het café trekt, vertel ik het hem. Hij is dolblij, pakt me beet en ik moet met hem de polka dansen, de vogeltjesdans, walsen; hij host met mij het hele huis door totdat hij plots beseft dat ik zwanger ben. Hij neemt me in zijn armen en legt me voorzichtig op de sofa. Hij kust mijn buik, opnieuw en opnieuw. Voor de eerste keer rijdt hij de stad in om frieten met stoofvlees voor me te halen. Het is feest.
Een week later krijg ik een miskraam. Het kind heeft nog geen licht gezien, het is nu vrij van leven, gelukkig, en in gedachten maak in zijn doodskleed in de kleuren van de nacht. Ik ween maar ik ben opgelucht.
Ik hoef hem niets te zeggen, hij leest de miskraam in mijn ogen. 's Nachts komt hij thuis met veel lawaai; hij heeft drie vrienden bij. Hij gooit de deur open en roept: " Pak die koe maar, jongens, ze is geen kloten waard want ik krijg ze niet vol."
Ik hoor een hond blaffen in de verte, dan is er geen geluid meer. Dan proef ik ijzer uit mijn lijf. Eén van hen veegt zijn bebloede handen af aan de witte kalk op de muur. Iemand duwt zijn hand in mijn mond. Ik moet de gruwel uit zijn vingers zuigen.
Hun salpeterzuur over mijn buik uitgeveegd.

In de loop van de volgende weken word ik door hen drie keer verkracht terwijl hij toekijkt. Ik ben ontvleesd en machteloos, ik besta niet meer. Ik ben de schande, sta midden op een plein, naakt in de blakende zon onder het oog van de mensen. Mannen strijken als aasgieren klapwiekend op me neer en nemen mij. Ik blijf alleen achter, meer schim dan schaduw, een zwarte engel aan het blauwe licht van de maan gelijmd. Hier blijf ik seizoenen staan, en elke herfst herhaalt de dood zich aan mijn lege borsten. Met de dood als schild bescherm ik me tegen het leven dat om liefde smeekt.
Ben weeral naar de rijkswacht geweest maar heb mijn klacht weer ingetrokken. Ze denken stilaan dat ik alles verzin, dat ik zot ben.

12:04 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

Commentaren

Mag ik deze zin overnemen in mijn verhaal? " In de politiewagen is het warm. Eén agent kijkt mijn richting uit. Hij lijkt zich te verwonderen over mijn kalmte."
Dit ontroert en geeft perfect weer hoe van een slachtoffer een daders wordt gemaakt.
G
G

Gepost door: Guillaume de Montségur | 08-04-08

Reageren op dit commentaar

Daar moet een ernstig ongeluk van komen, de ik uit het verhaal heeft wel erg veel geduld.
En weer kippenvel hier, bij het lezen.
Groetjes !

Gepost door: Parelmoer | 08-04-08

Reageren op dit commentaar

heel aangrijpend

Gepost door: merel | 08-04-08

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.