03-04-08

IK SMEEK OM LIEFDE: AFLEVERING 2

In de politiewagen is het warm. Eén agent kijkt mijn richting uit. Hij lijkt zich te verwonderen over mijn kalmte. Ik probeer me voor te stellen hoe de gevangenis eruit ziet, hoe groot zal mijn cel zijn? In gedachte ben ik de koude cel al aan het aankleden. Maar mag dat wel? Is er een toilet? Zal ik alleen in de cel zitten? Eet ik in de cel of in een refter, om hoe laat moet ik opstaan, hoe laat moet ik gaan slapen? Ondanks al die vragen heerst er geen chaos in mijn hoofd, de chaos die anders mijn meester is, ik zijn slaaf. Het is net of al mijn vragen netjes op een rij liggen. Iemand vult voor mij het antwoord in. Hoe anders dan in de psychiatrische instelling waar mijn chaos een emmer boordevol glibberige palingen was, ongrijpbaar en angstaanjagend.
Nu draaien we de hoek om. We rijden voorbij café Concordia. Hier leerde ik mijn man kennen. Hij heeft nu geen naam meer.
De discolichten spatten tegen het plafond, in glasscherven versplinterd. Ik voel me gelukkig. Mijn broer zal het wereldrecord diskjockey  vanavond op zijn naam schrijven. Er zijn veel mensen in de zaal. Ik loop dicht tegen ze aan, ik wil iedereen vastnemen en knuffelen, maar ik durf niet. De mensen zijn hier anders dan in Luik.
Dan zie ik hem. Hij staat aan de toog, beweegt nauwelijks, drinkt gulzig en trekt de rook diep in zijn longen. Mannen praten tegen hem, hij luistert niet. Dan valt zijn oog op mij. Ik sta aan de grond genageld. Ik proef zout op mijn lippen. Zijn blik is zwart marmer. Het is alsof hij zijn vingers op de aders van mijn slapen legt en alles draait en keert in mij. Hij is het, hij is alle mannen waar ik ooit van droomde. Hij dirigeert het vallen en het stijgen van de vogels. Hij is van niemand. Hij wordt lichaam en spreidt zich over mij.
Al dansend oogst hij mij, ik ben zijn graan en koren, hij slaat mij op in zijn stallen en dwingt mij in zijn ritme. Ik ruik zijn oksels, kruiden met wortels vol modder uit de grond getrokken.
Ik weet niet of ik pijn of vreugde voel. Mijn mond is droog want hierin jaagt het verlangen.
Diezelfde avond laat hij me op de dansvloer staan omdat hij dorst heeft. Aan de toog heft hij zijn glas en drinkt op mijn gezondheid. Hij wenkt mij en doet mij met een onderwijzersgebaar teken dat ik bij hem moet komen. Die eerste stap in zijn richting is van lood, de laatste loopt al op wolken. Hij pakt me stevig beet en zet een glas bier aan mijn lippen.
" Uitdrinken," beveelt hij lachend en blijft het glas tegen mij mond duwen tot het leeg is. Ik kan nauwelijks ademen en gebarend naar zijn vrienden mee te doen met dit amusant spelletje, duwt hij me een tweede pint tussen de lippen. Het koude bier druipt langs mijn kin in mijn jurk. Ik moet lachen en proest het uit. Zijn broek is nat. Even worden zijn ogen donker maar dan pakt hij me vast en kust me vol op de lippen. Wat ik dan voel is onbeschrijfelijk. Mijn bloem vouwt open en mijn meeldraad bloeit en geurt. Ze lokt het insect. Mijn lichaam kent plots geen schaamte meer als luchtledige vingers op mijn huid tintelen. Mijn bloed klimt rood en begerig naar zijn leven en lichter dan lucht verdwijn ik in het wolkenwit. De volgende dagen wijk ik niet van zijn zijde. In mijn slaap weet ik dat hij op vrouwen jaagt maar ik voel alleen de harstslag van zijn bast, het hijgen in mijn bloed wordt zee. Hij ziet mijn hongersnood en lacht.

Elke dag na zijn werk - hij is metser- zie ik hem in het café waar mijn broer al meer dan 138 uren onafgebroken disco draait. Ook mijn moeder komt regelmatig kijken. Als zij er is probeer ik afstand van hem te houden, maar zij leest mij.
Iedereen in de stad kent hem en zijn familie. De vader en zijn drie zonen zijn berucht. Al meerdere keren werden ze opgepakt voor openbare dronkenschap en zware vechtpartijen. Moeder is razend als ze merkt dat ik hem niet loslaat. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik haar de rug toekeer. Ik schaam mij maar ik ben in hem gegoten.
Maanden gaan voorbij en hoe langer hoe meer verglijd ik in zijn bestaan. Ik rook en drink als de beste. Mijn kleren ruiken naar hem. Ik vrij met hem op toiletten, tegen een muur in een vernachte straat, zelden in bed, want daar slaapt hij zijn roes uit. Ik ben als warm slijk tussen zijn tenen.
Ik woon nu bij zijn familie. Ik heb ondertussen ander werk gevonden. In de week heb ik een paar dagen vrij omdat ik veel in het weekend werk doe. Als ik dan overdag bij zijn familie ben, moet ik in zijn kamer blijven. Zijn vader wil niet dat ik er in de weg loop. Ik gehoorzaam, gedwee, al bijna naar zijn hand gezet. Ik zit op een berg zand die elke dag door de wind verplaatst wordt en ik merk het niet. Ik ga mee in zijn glooien en golven en alles wat me dierbaar is, lijkt nu verder. Ik ben weerloos en als ik me wil verzetten waait de wind het zand nog feller op, zodat ik niets meer zie en in de stofwolk zwaai ik hulpeloos wat met mijn armen. Als de storm dan liggen gaat, kijk ik als een bang vogeltje om me heen en hoop dat niemand mijn wanhoop heeft gezien.

12:15 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Commentaren

Ik kwam wat bijlezen. Goed geschreven maar om kippevel van te krijgen.
Nog een fijn weekend

Groetjes
Linda

Gepost door: Linda | 04-04-08

Reageren op dit commentaar

Het is lang geleden al verkeerd gelopen, weer prachtig verwoord Ivo, in één ruk gelezen, en ik ga direct door naar nummer drie.

Gepost door: Parelmoer | 06-04-08

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.