31-03-08

IK SMEEK OM LIEFDE : AFLEVERING 1

 MONOLOOG

 

Deze monoloog is het waar gebeurde verhaal van een vrouwelijke gedetineerde. Ik heb haar leren kennen in de gevangenis waar ze een cursus poëzieschrijven volgde. Ik was zeer getroffen door haar levensverhaal en heb me tijdens onze gesprekken meermaals afgevraagd waar ze de moed vandaan haalde om haar verleden achter zich te laten en een nieuw leven uit te bouwen. Ik heb de feiten niet op een rijtje gezet, ik heb opzettelijk heel wat weggelaten omdat haar verhaal anders onwaarschijnlijk was overgekomen. Met haar goedkeuring heb ik me ook de literaire vrijheid genomen om haar levensverhaal in een goed gesrtuctureerde monoloog te gieten. Sommige feiten zijn daarom ook niet atijd volledig waarheidsgetrouw of chronologisch juist.

ik bied jullie de monoloog aan in afleveringen. 

 

AFLEVERING 1 

 

IK SMEEK OM LIEFDE WANT ANDERS GA IK DOOD 


Ik ben een schaduw en langs de muren schuif ik, schuifel ik en liever nog ben ik geen schaduw, onzichtbaar in een maanloze nacht als ik naar slachtoffers zoek. Slachtoffers aan wie ik mijn liefde kan geven. Ze moeten mijn liefde aanvaarden anders ga ik dood, mijn eten en drinken. Liever blijf ik naamloos, ben ik de wind, een warme wind die iemand aanwaait. Ik waai de rozenblaadjes aan hun voeten op, maar zelf ben ik een doorn aan een stengel.
Zelfs in het licht ben ik aan alle zijden schaduw.
Ik wil onzichtbaar zijn in de tijd. En toch verschijn ik loodrecht in het licht nu ik de gevangenis in moet. Nu geven de schijnwerpers  mijn schaduw een naam, sta ik naakt voor mijn toekomst met een gevangenisplunje in de hand.
Vijf jaar zonder seizoenen, vijf jaar kunstmatig licht en geluiden van ijzer op ijzer, voetstappen in lange gangen; zo luidt het vonnis van de rechter. Het tolt in mijn hoofd en het geroezemoes in de rechtszaal komt van heel ver. Ik sta recht en ik ben blij. Blij dat er eindelijk een punt achter mijn verleden wordt gezet. Nu kan ik opnieuw beginnen. Ik ben de rechter dankbaar en knik hem minzaam toe. Ik zie het onbegrip in zijn ogen. Misschien denkt hij dat ik hem uitlach. Ik wil naar hem toelopen en zijn handen kussen. Hij is mijn beschermengel, mijn broodheer, mijn ultieme veiligheid.
Ben ik gek geworden? Welke veroordeelde is zijn beulen dankbaar?
De rechter draait me de rug toe en gunt me geen blik meer. Ik ben een fait divers, een anekdote in zijn leven. En plots gaat er een rilling door me heen. In zijn weggaan wordt de rechter man, zijn lopen en zijn staan, man, mijn man. In paniek wil ik weglopen maar de deur van de rechtszaal draait langzaam open en daar is mijn wereld weer in al zijn wreedheid. Hij opent zijn muil en ik verberg me achter de ruggen van de rijkswachters.
En dan kijk ik in de ogen van mijn moeder. Ik berg haar beeld in het licht van mijn ogen en laat haar in mijn hart glijden. Nog voor mijn tong taal werd, lag het woord mama al in mijn mond geklonken. Ik sluit mijn ogen en haar warme adem dwarrelt in een nevel over mij. Met een ivoren pen schrijf ik haar naam in mijn kinderlijk handschrift op Japans papier. Lichter als een bloem voel ik haar teder strelen in mijn slaap. Zij klinkt als een oud lied waar ik rustig van word.
Ik deed alles voor haar, ik stapte haar passen af, ik leefde in haar cirkel, moest haar middelpunt zijn. En als ze al eens kwaad was, deed het fysiek pijn. Ik onderwierp mij slaafs aan haar om maar geen grammetje liefde te missen. Ik mis de warme serrelucht waarin we jonge veldsla sneden. Als ze even weg was, zocht ik naar het kuiltje in de  tafel waarin haar ellebogen rustten. Ik verzon alibi's voor mijn verbondenheid, en, als er dreigde iets mis te lopen, was ik als kwik dat altijd aan zichzelf terugkeert. Hoe vermoeiend was ik, hoe dominant in mijn vraag naar tederheid, hoe afgunstig op mijn broers en zusters als ze in haar deelden. Het gebeurde zelfs dat ik geld uit haar portemonnee stal om haar cadeautjes te kopen hoewel ik goed wist dat ze nauwelijks de eindjes aan elkaar kon knopen want toen de mijnen dicht gingen was mijn vader werkloos en ziek. Mijn vader, zetelman, zwijgzaam, gevoelens in de kluis van zijn katholieke opvoeding, een goede man maar té ver weg voor mij. Mijn lief zijn beschouwde hij als een zwakte of ergens iets dat met vrouwen te maken had. Toen hij stierf, is hij als een voorbijgaande reiziger uit mijn leven verdwenen. Op zijn begrafenis zat ik naast mijn moeder in de kerk. Ze weende maar trachtte haar snikken te verbergen als was ze beschaamd voor de mensen. Ik hoorde alleen maar verre geluiden. Ik was dolgelukkig toen ze mijn hand vastnam om troost te zoeken. Ik streelde haar handpalm en toen haar blik, waarin ik totale overgave zag, me kruiste, kreeg ik tranen in mijn ogen. Voor het eerst was de dwang om liefde te geven een waar genot. Het vervulde mij met een overweldigende warmte. Ik wist niet wat er met me gebeurde en uit angst dat iemand mijn extase van mijn gezicht kon aflezen, verborg ik mijn hoofd in mijn moeders mantel.  
Als ik de zaal uitga, is haar stilte het enige wat ik hoor, haar ogen in mijn toekomst al gevangen. Aan de uitgang staat Claudine, een goede vriendin, met wie ik een jaar in Luik heb gestudeerd om Frans te leren. Ik ben een beetje verrast want het is jaren geleden dat ik haar nog heb gezien. Als ik langs haar loop, streelt ze mijn schouder en glimlacht. Het doet deugd want nu weet ik dat ze me niet veroordeelt en ik voel haar arm weer rond mijn middel als we door de straten van Luik marcheren: één van de mooiste jaren van mijn leven.
Terwijl ik in de politiewagen door de stad rijd, komen we voorbij " De Lekkere tafel ". In dit restaurant begin ik te werken na mijn middelbaar. Vol overgave begin ik aan de job. Het duurt niet lang voor de baas handtastelijk wordt. Misschien is het wel mijn eigen schuld want ik durf niet reageren als zijn hand langs mijn billen glijdt. Een verwrongen lachje is mijn enige reactie, een soort van verontschuldiging omdat ik niet verder op zijn avances inga. Hij verplicht me een rok te dragen. Dan moet ik op een stoel gaan zitten en mijn rok tot boven de knieën heffen. "Begin nu maar te schillen," roept hij lachend en duwt een grote kom met aardappelen tussen mijn dijen.
Op een morgen komt hij met een schaar voor me staan. "Draai je om," zegt hij, " ik heb wat van je nodig." Hij snijdt een stukje van mijn haar en plakt het op een bierkaartje. Negen dagen lang herhaalt hij hetzelfde ritueel en ik durf niet reageren uit angst mijn werk te verliezen. Zijn macht over mij is verlammend. Het is alsof hij me openbreekt, ik, een braakliggend terrein dat nodig moet ontgonnen. Mijn hoofd is chaos, ik kan niet meer denken, nadenken en in alles wat ik doe zie ik zijn kleffe vingers, zijn rood aanlopende kop.
Op een dag doe ik de deur van de voorraadkamer open. Daar staat hij met zijn broek op zijn knieën. Hij schrikt niet eens. In zijn rechterhand houdt hij mijn haar vast dat hij heeft afgeknipt.
"Blijf staan waar je bent," roept hij, "kijk in mijn ogen." Hij masturbeert tot hij klaar komt op het haar. Eindelijk vind ik de moed om mij om te draaien en weg te lopen. Nachten hebben mijn dromen met veel minachting hun waarheid achtergelaten.

10:48 Gepost door ivo konings in literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

Commentaren

Meermaals gelezen. Subliem geschreven, Ivo. Jammer dat ik de eerste opvoering ervan moest missen.

Groeten

Gepost door: Willy | 02-04-08

Reageren op dit commentaar

Ik kijk al uit naar het vervolg !
Je zijt toch wel een woordkunstenaar. Prachtig verwoord.

Gepost door: Christel | 03-04-08

Reageren op dit commentaar

Wat een verhaal Ivo, alle droefheid zo mooi verwoord, ik ga meteen verder lezen, was een weekje geestelijk afwezig.
Groetjes !

Gepost door: Parelmoer | 06-04-08

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.