06-12-07

LE BOSSU VAN DE PIAZZA SAN MARCO

B12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze tekening liet ik me inspireren op een voorval in Venetië. Je ziet me hier voor een schilderij in een museum op het San Marcoplein. Het ontwerp van dit werk is weliswaar van mijn hand en je zou dus kunnen opwerpen dat het getuigt van een overdreven groot ego dat ik mijn eigen kunst in dit museum zit te bewonderen maar niets is minder waar want ik acht mezelf niet in staat om het werk van Kiefer te reproduceren. Het was zijn tentoonstelling die ik niet mocht missen.

Aan de ingang van het museum keek ik aan tegen onoverkomelijke trappen. Om rolstoelgebruikers welgevallig te zijn had de directie er wel een originele manier op gevonden om ook deze sukkelaars het esthetisch genot niet te ontzeggen. Je verwacht dan, zoals dat wel vaker gebeurt, dat er ergens aan de achterkant een verdoken toegang is waarlangs je via het chauffagekot in het museum terecht kan maar dit keer werd ik toch met verstomming geslagen wat, voor degenen die me kennen, toch wel een uitzonderlijke gebeurtenis is.

Een reus van een vent, boombreed, bijbelse kaaksbeenderen, ossekop, atlasschouders, een beetje bossu, poten als kolenschoppen kwam de trappen afgedaald. Hij torende hoog boven me uit en liet zijn loden blik stilzwijgend over me neerdalen. Hij keek naar de trappen, dan naar mij, nog eens naar de trappen, monsterde mijn aantal kilo's, rolde me resoluut naar de achterkant van het museum maar niet zonder ook een vriend van mij stevig bij de arm te nemen. Hij sommeerde hem dwingend hem te volgen en dit met een simpele krachtige hoofdknik. De rest van het gezelschap zweeg als door de hand gods geslagen. Niemand durfde het aan om uitleg te vragen. Aan hun verbouwereerde gezichten kon ik afleiden dat ze dachten dat het met mij gedaan was, dat ik achter hoek en kant weldra zou afgemaakt worden en niemand van hen benijdde mijn vriend die als een geslagen hond achter hem aanliep, een gewisse dood tegemoet.

Aan een eeuwenoude poort hield hij halt. De sporen van het Venitiaanse water liepen als penseeltrekken door het vermolmde hout. Uit zijn mond, die volgens mij alleen maar diende om rauw vlees te verscheuren, kwam geen gebenedijt woord. Plots greep hij mijn arm beet, bukte zich en legde me als geknakt riet in zijn nek. Zijn zout kroop in mijn neusgaten en vermoedelijk had hij de dag ervoor nog vis gegeten. Mijn vriend zette geschrokken een stap achteruit. Ondertussen bengelde ik met mijn hoofd ergens tussen rug en kont. Van mijn maatje moest ik duidelijk geen hulp verwachten.

De reus draaide zich om, en maakte mijn lotgenoot met één gebaar duidelijk dat hij met de rolstoel moest volgen. Vervolgens kwamen we terecht in wat ik vermoedde, een opslagplaats van het museum moest zijn. Overal waren er opstapjes die hij gezwind nam. Bij de goederenlift beval hij mijn vriend er onmiddellijk de rolstoel neer te poten. Ik verwachtte natuurlijk dat hij mij erin zou zetten maar nee, de lift vertrok en ik bleef hangen. Aangekomen waren er weer een paar treden en eindelijk ging er een deur open waarachter ik een zaal van het museum vermoedde.

En toen gebeurde het. Heel voorzichtig, alsof ik een niet verzekerd kunstwerk was, liet hij me nu in de rolstoel zakken; hij glimlachte en maakte me met gebarentaal duidelijk dat hij doofstom was. Een suppoost vertelde me dat hij het manusje-van-alles was. " Lui fa tutto," klonk het. Le bossu verdween weer in de donkere kerkers.

U vraagt zich natuurlijk af hoe ik dan weer naar buiten geraakte. Gewoon, met de rolstoel de trappen af, twee man van voor en twee vanachter, tweemaal bijna heel snel beneden.

Toegankelijkheid, ach, wie maalt erom.

 

 

12:56 Gepost door ivo konings in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Bijgelezen, Ivo. Prachtig gedicht en anekdote. 'Lui fa tutto' is anders ook jouw leuze!

Groet

Gepost door: Willy | 06-12-07

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.