11-11-07

EEN DOCHTER VAN SHIVA

 Vanmorgen wilde ik in de droomvelden blijven rondwaren, over kleurrijke landschappen zweven op zoek naar mijn Indische godin die daarstraks nog mijn geliefde was, een dochter van Shiva.

 Honderduizenden mensen, een welriekende massa overdekt met geurige seringen, zingen liederen ter ere van de godin. Ik sta ergens verweg in de menigte en kan nauwelijks het enorme podium onderscheiden waarop ze zit. Ze baadt in een goddelijk licht, haar naaktheid verderlicht op satijnen kussens. Ze kruist zedig haar lenige armen over haar borsten.

 Plots stijgt een gouden lichtstraal uit haar gitzwarte haar. Sierlijk beweegt het licht zich over de massa. Nu pas zie ik dat er vooraan een oog aan zit. Soms blijft de lichtstraal even  stil hangen alsof het oog iemand in de menigte zoekt. De stilte van de massa is irreëel. Ik hoor een licht gezoem. Het oog richt zich naar mij. Dan schiet de straal als een blimsemschicht vooruit. Het licht verblindt me. Als een pluim word ik uit de mensenmenigte gelicht en door de lucht meegevoerd naar het podium. Schrijlings word ik op haar schoot gezet, naakt.

Haar schoonheid mag niet beschreven worden, anders wordt dat mijn dood. Zijn neemt mijn hand en legt ze op haar linkerborst. Dan brengt ze mijn vinger naar haar tepel en gebiedt me hem zacht te strelen. Langzaam bloeit de tepel open en ontvouwt zich als een bloemenkelk. Uit elke kleur wordt weer een nieuwe bloem geboren, nu een beetje lichter dan weer wat donkerder, tot een bloemenboom zich welriekend over ons buigt en ons onzichtbaar maakt voor de massa.

Haar naakte lichaam is blauwlavendel, ze wenkt me. Langzaam opent ze haar goddelijke benen die uitdeinen in haar zijden buik. Haar lipjes liggen zedig toegevouwen als een slapende lotus. Als ik zachtjes mijn warme adem tussen haar billen blaas, sijpelt er honing in mijn mond en ik word vloeibaar in haar, verdwijn in haar golven en verschijn weer als een parel aan haar kroon.

 

DE  EERSTE  VROUW

 

Misschien is ze wel een oud lied,

De eerste vrouw uit het ei van vuur

Toen er nog geen moeder was.

Het vuur is naam geworden

In haar gebrand,

En geur van hel en hemel,

Narcissen in een krabbenmand.

 

Zij doet de tongen gloeien

En tussen haar gefronste wenkbrauwen

Vangt ze elke blik

De wilde vaart der vlammen,

In het zaad gezwollen,

Haar geslepen tepels

In eender welke mond.

 

Alleen het vlees wil spreken

En zeggen dat haar bloed zo giftig is,

Zo dorstig,

Men zegt dat ze van een kraai

Een vuurvogel maakt.

 

Kan het zijn

Dat als ze haar dijen spreidt,

De man in de ogen kijkt,

Hij mekkert als een geit?

 

 

13:15 Gepost door ivo konings in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.