10-11-07

GEVANGENIS

 Ik heb gisteren bijna 3 uur in de gevangenis van Hasselt met Chantal gepraat. Zoals ik in mijn vorige blok al zei, ben ik van plan een monoloog over haar te schrijven.

Voor ik haar te spreken krijg komt een kleuter van bijna drie jaar me tegemoet gelopen en kijkt eerst heel nieuwsgierig naar mijn rolstoel en dan naar mij. Veel mannen heeft hij in zijn jonge leven nog niet gezien want op de vrouwenafdeling mogen geen mannen binnen, tenzij met speciale toelating.

Ik aai zijn wittekop, zijn jonge moeder loopt fier achter hem aan. Binnen enkele maanden wordt hij drie en zal hij de gevangenis moeten verlaten, zijn moeder achterlaten.

In zo'n zin ligt zoveel drama weggestopt, voel ik haar eenzaamheid al korter bij sluipen, haar verlangen naar haar kind in kapotte ogen, een foto tussen vier muren en de herinnering aan zijn uitbundig gekir in de gangen van de gevangenis. En het kan me plots niet schelen waarvoor ze gevangen zit. Voor mij staat een vrouw, in zichzelf gevangen, met haar eigen trieste geschiedenis, een kind aan de hand. En ik vervloek al de mensen die met hun vooroordelen en onwetendheid de gevangenis tot een hotel herleiden. Als zoon van een gevangenisdirecteur heb ik jarenlange ervaring opgedaan met deze mensen en ik verzeker u dat er weinig echt krapuul in de gevangenis terecht komt. Elke mens heeft zo zijn achtergrond, zijn eigen rotgeschiedenis. Je hoeft hun daden niet goed te keuren maar begrijpen kan men wel mits een kleine inspanning tot inleven.

 

Chantal komt aangelopen op krukken. Ze heeft een lichte lach, een lieve lach onder trieste ogen. Een vrouwelijke bewaker dolt even met de peuter en leidt ons dan naar de recreatieruimte waar we ongestoord kunnen praten. Ze brengt ons een volle thermosfles koffie. Chantal bedankt haar, ze glimlacht. Hier staan mensen tegenover elkaar. Ook de vorige keer toen ik hier was voelde ik het wederzijds respect, soms zelfs vriendschap. Vrouwen zijn betere wezens.

Chantal vertrouwt me. Dan begint ze te vertellen, hoe haar oogkassen, kaaksbeenderen, polsen en armen meermaals gebroken werden door de woesteling waarmee ze getrouwd was. Hoe ze vastgebonden werd aan bed als hij ging werken, jaren lang, hoe hij haar verkrachtte samen met zijn dronken vrienden. Hoe ze telkens weer moest vluchten, onderduiken, angst in angst in angst. Ik vraag me af hoe ik dit verhaal in een tekst moet gieten om het geloofwaardig te laten klinken. Geen mens verzint zoiets.

"Mag ik even stoppen," vraagt ze, alsof ze mijn toestemming daarvoor moet vragen. Haar ogen zakken even onderuit, en haar hand schuift zachtjes van de tafel.

Het regent, ik word kletsnat, het leven een natte dweil in mijn gezicht.

 

13:19 Gepost door ivo konings in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.